13e eeuw

1250. De oudste schaatsen zijn gevonden in Dordrecht en gedateerd op 1250 aan de hand van de 'bijvondsten'. De ijzers zijn bijna een centimeter breed, maar er kan een zijwaartse afzet mee gemaakt worden. Mogelijk namen de eerste schaatsers stokken mee, zoals wandelaars tegenwoordig ook niet meer uit kunnen zonder stokken. Er is ook een vondst bekend in Amsterdam van decennia later, zodat het waarschijnlijk is dat schaatsen begon in de Hollandse steden. Uiteraard bij de elite, omdat ijzer een kostbaar materiaal was.

1256. Graaf Willem II, koning van het Heilige Roomse Rijk, werd in 1256 door West-Friese guerillastrijders bij Hoogwoud dood geknuppeld toen hij met paard en al door het ijs was gezakt. Hij was met zijn Nederlands-Duitse leger onderweg om belasting op te halen bij de opstandige West-Friezen. Een deel van het leger ging samen met Willem over het ijs, Willem als enige te paard. Zijn leger ging op schaatsen lijkt het, want de geschiedschrijver Van Velthem zegt over de Duisters: syne conden ten yse niet wel. De Duitsers waren dus in tegenstelling tot de Nederlanders niet echt vaardig op het ijs. Het lijkt er daarom op dat de soldaten op schaatsen reden. Voor het lopen op het ijs is immers weinig oefening nodig.

14e eeuw

1325. De oudste afbeelding van schaatsen vinden we in de marge van een Vlaams psalter - een psalmenboek voor leken. Op het kalenderblad februari zien we twee spelende kinderen, één op een paardenkaak als prikslee de ander op schaatsen. Er is enige twijfel over of de jongen op glissen of op schaatsen gaat. Op de kleurenafbeelding die ik heb gekocht, zie je dat de ijzers vrolijk glimmen. Ik ga er vanuit dat de jongen op schaatsen staat. Het psalter bevindt zich overigens in de Bodleian in Oxford.

15e eeuw

1498. Honderd jaar na de val van Lydwina is in 1498 het eerste Hollandse ijslandschapje gemaakt. Een ingekleurde houtsnede in de Vita Lydwina van Brugman (die van praten alsÖ). Lydwina draagt schaatsen, hoewel het verhaal niet vertelt dat zij op schaatsen was. Lydwina is voor het schaatsen niet interessant. Het was een vrouw die leed aan anorexia en dat deed ze al al voordat ze op het ijs viel. De kerk die nooit zo geloofd heeft in haar verhaal noemde het toen al anorexia sacra, heilige magerzucht. In Schiedam wordt ze vereerd als de heilige van de lijdende mens. Heilige van het schaatsen is ze niet, hoewel velen dat aannemen (ze is trouwens ook nooit officieel heilig verklaard).

16e eeuw

1524. Het woord 'schaats' verschijnt voor het eerst in druk in Vlaanderen. Het woord is omstreeks die tijd overgenomen uit PicardiŽ waar men het Franse woord 'échasse' uitsprak als 'schaase' en 'eschaase'. Het betekent stelt. De Walen kennen het woord eschaesse nog steeds in deze betekenis. In het pikante ijsgedicht 'Mi lust eerst spelens' uit de bundel van Jan van Doesborch lezen we dat een Picardische vrouw spreekt van 'schaeste'. In het gedicht wil deze seksueel onverzadigbare vrouw voortdurend spelen op het ijs met de ik-figuur. Zelfs als ze samen in een wak liggen. Het woord 'schaats' was 50 jaar later algemeen in gebruik in Nederland. Het Vlaamse 'schaverdijn' leefde nog voort tot in de jaren 60 van de vorige eeuw, zoals blijkt uit Vlaamse volksverhalen.

1565. De eerste afbeelding van een ijsbaan vinden we op een tekening van Pieter Brueghel de Oudere. Het is de ijsbaan bij de Sint Jorispoort in Antwerpen. Frans Huys maakte in 1665 een kopergravure naar de ontwerptekening van Brueghel. In spiegelbeeld en daarom heb ik de gravure hier gespiegeld weergegeven zodat we een realistisch beeld zien. Op de baan staat een kolfspeler.

1575. De humanisten schrijven de eerste schaatspoŽzie in Nederland, zij het in hun geliefde Neolatijn. Schaatsen is uitzinnig populair bij de elite van de Leidse Universiteit. Op de afbeelding uit een liber amicorum ziet u schaatsers op het Rapenburg. Dankzij de gedichten van de hooggeleerde humanisten komen we veel te weten over de gebruiken. Zo stonden de dames met twee voeten op één plankje om door de heren over het ijs geduwd te worden.

Gouden eeuw

1610. De Gouden Eeuw is de eeuw van de ijsgezichten van de Stomme van Kampen en vele andere Hollandse ijs-meesters. In het Mauritshuis was in de winter van 2001/2002 een overzichtstentoonstelling van de winter in de Gouden Eeuw. U kon er werken zien van Hendrick Avercamp, Arent Arentsz, Adriaen van der Venne, Jan Steen, Rembrandt, Aert van der Neer, Jan van Goyen en vele anderen. De Gouden Eeuw ligt midden in de Kleine IJstijd in Europa: de winters duurden langer en waren veel strenger dan na 1850.

1617. Bredero: in het toneelstuk Moortje kijkt een voetganger met een lodderoog over de ijsbaan van de Buitenamstel en beschrijft hoe het gemene volk zich daar uitslooft. Schaatsen is een volksport geworden: 't kan verkeeren! Mensen struikelen over elkaars krulschaatsen en vrouwen vallen op het ijs zodat je ze in hun blote kont ziet: Die haeckten in huer schaets, so dat de goet-hart stort, En vil een harde smack, o dat ick my niet doot lach; Wangt sy vil op haer nues, so datmer Aal-korf bloot sach. Haar Aalkorf! Bredero was overigens een groot liefhebber van schaatsen. Hij schreef in een lied: nooit had ik meer verblijen als 's winters in het rijen. Prachtig!

18e eeuw

1740. Schaatsen is wedstrijdsport. Dat is het waarschijnlijk al veel langer, maar in dit jaar vinden we de eerste beschrijving van een kortebaanwedstrijd. Het moet de uitzonderlijke ijswinter van 1740 zijn geweest waarop de schrijver Van Boelens terugkijkt in zijn gedicht De Winter in Drie Zangen. Twee hardrijders rijden om een vat bier, maar vrouw Nijd gooit roet in het eten: ze strooit zand op de baan van de gedoodverfde winnaar, omdat hij een onuitstaanbare pocher is. Hij valt als een geslachte os op het ijs en de tegenstander gaat er met de eer en prijs vandoor. In de winter van 1740 kon je dertien weken lang elke dag de Elfstedentocht rijden. Het was de beste schaatswinter ooit. Een vermelding van het rijden van de Elfstedentocht vinden we in een voetnoot van dit gedicht: Pier die de elf steden van Friesland in het rond heeft gereden. Dat was volgens de dichter een war kunststukje in Friesland.

1778. Le Franq van Berkhey schrijft in zijn boek Natuurlijke historie van Holland de eerste geschiedschrijving van het schaatsen. Hij doet dat met veel aandacht voor detail alsof zijn lezers nog nooit schaatsen van dichtbij hebben gezien. Opmerkelijk is dat hij schrijft dat hoewel in het verleden geen standsverschillen waren op het ijs, de elite het nu voor gezien houdt: 'Onze lieden van aanzien houden het schaatsenrijden tegenwoordig veelal voor een laag vermaak van den gewone man'. Een zin die door de moderne geschiedschrijvers consequent genegeerd is. Zij blijven tegen beter weten in geloven in het romantische beeld van het ijs als het aardse paradijs.

19e eeuw

1812. Jan Van Geuns Volledig leerstelsel van kunstmatige ligchaamsoefening. Van Geuns was dominee en onderwijzer in Leiden. Zijn vader was hoogleraar in deze 'ligchaamsoefening', daar kwam zijn belangstelling dus vandaan. Van Geuns baseert zijn boek op een Duits boek over sport en gymnastiek van Gutsmuts. In het hoofdstuk over schaatsen volgt Van Geuns zijn eigen weg. In ruim 100 pagina's onderzoekt van Geuns aan de hand van de letterkunde de historie van het schaatsen, met veel aandacht voor het materiaal en de techniek.

1880. Oudste ijsverenigingen en ijsbonden. Veel verenigingen ontstaan om het baanvegen goed en eerlijk te kunnen organiseren. Niet alleen binnen de vereniging maar vooral ook tussen verenigingen om tochten beter mogelijk te maken. Baanvegers wierpen nogal eens barrières op om rijders te dwingen te betalen. Bovendien stond er om de zoveel meter een baanveger die zijn hand ophield. Je kwam er zonder betaling niet langs. Overigens was het volstrekt begrijpelijk dat huisvaders in de winter geld wilden verdienen. Dankzij de verenigingen konden de leden nu zonder betaling door. Ook werden de baanvegers tijdelijk in dienst genomen en 'wilde vegers' werden geweerd. In veel statuten van ijsverenigingen vinden we het belangrijkste doel van de vereniging terug: werkverschaffing.

1888. De Leidse jurist Johan van Buttingha Wichers doet op verzoek van de N.S.B. (nu KNSB) opnieuw onderzoek naar de schaatshistorie vooral weer aan de hand van de letterkunde. Hij doet dat wat uitgebreider dan Van Geuns, maar leunt wel zwaar op hem. De poŽzie van de humanisten krijgt bij Buttingha veel aandacht. Van BW beschrijft daarbij ook het schaatsen van zijn tijd, het materiaal en de techniek. Het boek Schaatsenrijden van Van Buttingha wordt wel als de bijbel beschouwd van het schaatsen. Als dat zo is, is het boek van Jan van Geuns het Oude Testament. Van Buttingha leverde in zijn korte leven ook een belangrijke bijdrage aan het internationale schaatsen.

1890. Het drankgebruik op het ijs is schrikbarend hoog. Dat was het mogelijk in het verleden ook. Het schenken van sterke drank - zopie - was nauwelijks aan regels gebonden en al helemaal niet op het ijs, dat land noch water was. Bier en jenever hoorden onverbrekelijk bij schaatsen en liefst in grote hoeveelheden. Bij de introductie van de Drankwet in 1881 worden zelfs Kamervragen gesteld over het drankmisbruik op het ijs. Braakensiek 'schilderde' het morele verval zoals zo vele schilders en dichters al voor hem deden.

1893. Over drank gesproken: Jaap Eden. Hij is onze grootste schaatsheld. Drievoudige wereldkampioen en daarbij ook nog tweevoudig wereldkampioen wielrennen. Hij vloog volgens zijn scout Klaas Pander als jongen al over het ijs. In 1893 wordt hij in Amsterdam de eerste officiŽle wereldkampioen schaatsen. Het jaar daarop rijdt hij in Haar zijn legendarische wereldrecord op de 5 k: voor het eerste dik onder de negen minuten 8.37,6. Het record houdt 20 jaar stand. In 1895 en 1896 is Eden opnieuw wereldkampioen. Eden wordt daarna professional. Zijn leven eindigt overigens erg tragisch: berooid en in een delirium in de goot. Het is ook de tijd van veel vernieuwingen, zoals de introductie van de Noorse schaats en het rijden op een ovale baan met bochten waarin je overstapt.

20e eeuw

1909. In 1909 is de eerste georganiseerde Elfstedentocht. De dominee Minne Hoekstra wint. De Elfstedentocht als individuele prestatie bestond al 150 jaar. De tocht sprak en spreekt tot de verbeelding. Pim Mulier de godfather van de Nederlandse sport verzocht de Friese IJsbond de tocht als wedstrijd te organiseren voor belangstellenden. De IJsbond heeft dat eenmalig gedaan en vond het daarna welletjes. Vervolgnes werd een aparte organisatie voor de Elfstedentocht en - wedstrijd in het leven geroepen: de vereniging De Friese Elfsteden. Deze vereniging heeft de tocht nu 15 keer georganiseerd.

1917. Oscar Mathisen, de grootste schaatser ooit. Hij voerde 21 jaar de Adelskalender aan. Was vijfvoudig wereldkampioen met alle wereldrecords op zak voordat hij in 1917 professional werd. Er kwamen veel meer mensen naar Mathisen kijken dan naar de amateurs. Mathisen was de eerste grote held van het jonge koninkrijk Noorwegen. Hij reed op zijn 39ste nog wereldrecords (die nooit erkend werden). Zijn wereldrecord op de 1500 meter hield 23 jaar stand. Mathisen leefde volledig voor het schaatsen.

1924. Olympische Winterspelen in Chamonix. Voor het eerst staat hardrijden op de Olympische agenda (hoewel de Spelen pas met terugwerkende kracht tot Olympisch Spelen zijn verklaard). De Amerikaan Charles Jewtraw wint de eerste gouden medaille op de 500 meter. Jewtraw groeide op, op de ijsbaan van zijn vader. Toch kwam zijn zege als een verrassing. De stratenmaker Clas Thunberg is de grote man van het toernooi. Mathisen mag niet meedoen als professional.

1959. Het eerste grote toernooi op kunstijs is het EK van 1959 op de ijsbaan van Göteborg in Zweden. Overigens zijn er halverwege de 18e eeuw al kunstijsbanen gemaakt van 'echt' kunstijs: chemische substanties waarop je een week of twee kon schaatsen. Echt ijs - bevroren water - ligt in 1876 voor het eerst in een zogenoemd glaciarium in Londen. Het water werd direct gekoeld via de buizen die in het water lagen. Dat was een uitvinding van de hoogleraar natuurkunde Gamgee. Nu liggen de koelbuizen onder het beton. de eerste kunstijsbaan in Nederland was de Jaap Edenbaan in Amsterdam. Die is nog steeds niet overdekt, gelukkig!

1963. Reinier Paping wint de zwaarste Elfstedentocht ooit. Hij deed er 10 uur en 59 minuten over. Slechts 69 mannen haalden de eindstreep. Dat maakt de tocht legendarisch naast het feit dat voor het eerst de wedstrijd via radio en televisie te volgen was.

1968. In Grenoble wint Kees Verkerk een gouden medaille. Hij had al verrassend zilver gewonnen in 1964, nu is er goud. Nederland hoort er weer bij. Want laten we eerlijk zijn, decennia lang heeft het Nederlandse wedstrijdschaatsen weinig voorgesteld. De Noren, Finnen en Zweden waren altijd veel sterker en professioneler met hun sport bezig. De KNSB was een bond met mannen die besturen leuker vonden dan schaatsen. Nu zijn in het tijdperk van Ard en Keesie gekomen. Keesie de man die de psychologische oorlogsvoering op het ijs introduceerde en Ard de fysiek veel sterkere rijder. Schenk was de eerste die onder de twee minuten reed op de 1500 meter en de eerste onder de vijftien minuten op de 10.000 meter.

1980. Eric Heiden wint vijf gouden Olympische medailles. Hij werd daarmee wereldberoemd in Nederland. De Amerikanen zelf hadden meer oog voor het ijshockey. Heiden is de man die ook de intensieve zomertraining introduceerde, bijvoorbeeld met uitvinding van de schaatsplank. Overigens houdt de Russin Lidia Skoblikova het record van zes gouden Olympische medailles. Ook zij won alle Olympische medailles in 1964 en later nog twee.

1984/1997. De klapschaats uitgevonden door Gerrit Jan van Ingen Schenau. De klapschaats verbetert de tijden van de schaatsers aanzienlijk. We zijn dan ook in de tijd gekomen dat het materiaal meer bijdraagt aan de verbetering van de records dan de rijders zelf. Pas vanaf 1997 durven topschaatsers het aan op klapschaatsen te rijden Tonny de Jong wordt verrassend Europees Kampioen in 1997 op klapschaatsen. In één jaar tijd gingen bijna alle schaatsers over op de klapper. Voor het kunstrijden bestond er al veel langer een klapschaats, maar een groot succes was die schaats daar niet.

21e eeuw

2005. De eerste zwarte schaatser is wereldkampioen. Schaatsen is een overwegend 'witte' sport, maar net als bij het golven staat er één zwarte sporter op die vervolgens eenzaam aan de top staat. Bijzonder is verder dat Davis ook shorttrackschaatser is. Overigens stond er al eerder een zwarte schaatser op Olympisch ijs: Eroll Fraser van de Maagdeneilanden reed in 1964 in Sarajevo mee, met weinig succes. Vrijwel niemand herinnert zich deze zwarte schaatser.

2050. Het regent veel in Nederland. Er zijn nog enkele overdekt ijsbanen over, zwaar gesubsidieerd, omdat het schaatsen zich niet langer kan verheugen in een grote belangstelling. Vermoedelijk zijn er ook ijsbanen gemaakt van kunststof platen. De cultuur van het buitenschaatsen is verloren gegaan door de opwarming van de aarde. Koek-en-zopie bestaan alleen nog als nostalgisch element met Kerst langs de ijsbanen. Ach, er is al veel cultuur verloren gegaan en dat is maar goed ook. Wat dacht u van al die wrede spelletjes met dieren op het ijs, zoals het gansknuppelen of het laten schaatsen van katten op notendoppen?