Vrolijke ontucht op het ijs

Rond 1524 staat voor het eerst het woord 'schaats' op papier. In een Antwerpse bundel met rederijkersrefreinen gedrukt door Jan van Doesborch. We hebben het woord schaats uit het Picardisch (Noord-Frankrijk) geleend. In het gedicht is het grappig genoeg ook een Picardische vrouw die het woord gebruikt! Alsof we getuige zijn van de dag waarop we het woord schaats in Nederland kregen.
Mi lust eerst spelen is een ondeugend ijsgedicht over een seksueel onverzadigbare vrouw. Ze nodigt Hans voortdurend uit voor haar spelletjes. Het begint met ringsteken (!). Hans vindt het eerst wel leuk, maar als ze beiden tot slot in het wak dobberen, probeert hij zich toch uit de voeten te maken.

Mi Lust eerst spelens

Veel goet geselscaps vant ic versaemt
Met vreuchden spelende op een ijseken,
Mannen en vrouwen, diversch genaemt,
Die onderlinge staken om een prijseken,
Voet tegen voet, twas goet avijseken!
'Comt mi doch bi', sprac een die fray was,
'Ick voere u netter dan een chijseken.'
Mi docht aen tghiseken, dat van Duway was.
........
Tgenoechde mi, hair oochskens stonden stelens.
Si voerde mi dat ick plats inden dray was,
Ic wilde mi rusten, tvel sprac dat tay was:
'Hebdi gedaen nu, mi lust eerst spelens!'

Als ick daer hadde gespeelt een poseken,
Moe sijnde ic waende wel rumen de plaetse.
Doen stontse en bloosden als een roseken,
Seer dompende, verwermt haer coraetse.
........
Ic sprac: 'Waer bi?' Dat vincse staphans
Si seyde: 'Al sweetic, vreest niet een schaetse,
Al moets ghenoech, al werdi derde mans.'

Ick had wel willen doen staen Sint Jans,
Van schaemten geseyt, ten baet geen helens,
Si track mi fortselic op haer bicans
En seyde: 'Wel aen, liever Hans,
Hebdi gedaen nu? Mi lust eerst spelens.'

Lange spelen preesse, verstaet de saken,
En tverdroot mi, so dat ic na ruste spuerde.
Hoet was si stelde mi op twee kaken
En stierde mi soot haer lust becuerde,
Opwart en nederwart, so dat ijs scuerde
Van rutsene, en segs in gheenen roeme.
Recht als een visscher lach ick en puerde
Met haer totten navel in die loeme.
'Ist nu wel ghereden', sprac ic, 'schoon blome.'
Seer cloec sprac si: 'Ic en gevoele geen quelens...'
Ic liet, tgewaet lach nat ronts omme.
Doen seyse: 'Versaecht puyt ic u nomme,
Hebdi gedaen nu? Mi lust eerst spelens!'

Prince Tspel gheviel tuschen der vesten
Int diepe, dus cregic te meer vervelens.
Mits glatheyt mi den voet dick meste.
Ick schiet al sijpende, si riep int leste:
'Hebdi gedaen nu? Mi lust eerst spelens!'


Dichter onbekend

Ik wil nog wel spelen

Ik trof er een groot en aangenaam gezelschap aan
dat met plezier op het ijs speelde,
mannen en vrouwen van alle rangen en standen
die met elkaar om een prijsje staken,
met de voeten tegen elkaar, ze deden het goed!
'Doe met mij mee', zei er een die mooi was,
'Ik leid u zo goed mogelijk.'
Ik dacht, door haar voorkomen, dat ze uit Douai kwam.
........
Het beviel me, ze keek ondeugend uit haar ogen.
Ze leidde mij tot ik helemaal draaierig was
en toen ik wilde rusten zei dat mens vasthoudend:
'ben je nu al klaar, ik wil nog wel spelen!'

Toen ik daar een tijdje had gespeeld
wilde ik er vandoor gaan omdat ik moe was.
Ze stond toen te blozen als een roos,
zeer verhit, zodat haar juweel er warm van was.
........
Ik zei: 'Met wie?' Zij hoorde het meteen
Ze zei: 'Ook al zweet ik, wees niet bang om te schaatsen,
ik heb genoeg hartstocht, zelfs al zou je de derde man zijn.'
Ik had Sint Jan wel op de been willen houden,
moet ik beschaamd toegeven, ik hoef het niet te verhullen,
maar zij trok mij met kracht zowat op zich
en ze zei: 'Kom op, lieve Hans,
ben je er klaar voor? Ik wil nu wel eens spelen.'

Zij roemde het lange spelen, begrijp dat goed,
en ik leed eronder, zodat ik uitkeek naar rust.
Maar zij zette mij weer op de prikslee
en duwde me voort zoals het haar uitkwam,
op en neer, totdat het ijs scheurde
van het glijden, ik zeg het zonder overdrijving.
Ik lag zoals een visser en viste
samen met haar tot mijn navel in het wak.
'Heb je nu genoeg gereden', zei ik, 'schoonheid.'
Heel ad rem zei ze: 'Ik voel geen pijn....'
Ik gaf het op; de kleren lagen nat uitgespreid.
Toen sprak ze: 'Je bent een slapjanus,
heb je er nu al genoeg van? Ik wil niets liever dan spelen!'

Het spel vond plaats in het water
tussen de wallen, waardoor ik het des te moeilijker had.
Door de gladheid gleden mijn voeten steeds weg.
Doorweekt ging ik ervandoor, en zij riep me nog na:
'Ben je er klaar mee? Ik wil nog wel spelen!'

Vertaling J. Oosterman voor Zwart IJs